De aanval is de beste verdediging
Hoe Harry Kreytz mij niet aan het judoën kreeg
Beste Frank,
Ik deel jouw fascinatie met het menselijk lichaam. Al van jongs af aan ben ik me zeer bewust van de beperkingen van mijn eigen lijf. Zo beoefende ik een heleboel sporten redelijk tot best wel goed, balsporten vooral, maar ook mountanbiken en zwemmen. Minder succesvol was ik met vecht- en/of verdedigingssporten (wat is trouwens het verschil?). En daar wil ik je graag even over bijpraten.
In mijn tweede levensjaar, we schrijven 1968, verhuisden wij van Enschede naar Arnhem. Pa was luchtmachtofficier en die had voor mijn geboorte al zo’n beetje alle luchtmachtbases in binnen-en buitenland gezien. Nu werd hij van Vliegbasis Twente overgeplaatst naar Vliegbasis Deelen en dus verhuisden wij naar de frisse wijk Presikhaaf in Arnhem-Noord. Ons adres: Hanzenstraat 124, telefoonnummer 085 - 610029, op de parkeerplaats een Opel Kadett met kenteken 39-15-VJ. Raar dat je je dat soort dingen na 40 jaar nog steeds herinnert. Maar goed. Hanzenstraat 124 was een maisonnettewoning boven Winkelcentrum Presikhaaf, in die dagen nog niet overdekt. Boven de winkels had je luifels en op het grote plein, waar toen nog de COOP, warenhuis Hagen en restaurant Capri gevestigd waren, was een enorme vijver waar je ‘s zomers kon zwemmen.
Weet jij dat nog? Of was dat voor jouw tijd?
In ieder geval groeiden mijn broer en ik niet zo voorspoedig op terwijl mijn ouders zagen hoe Presikhaaf langzaam verwerd tot een Vogelaar wijk avant la lettre. Onze vriendjes van die tijd waren, om het met enig gevoel voor understatement te zeggen, redelijk asociaal. Wij brachten onze vrije middagen door op de luifels boven de winkels. Bliezen pijltjes in de taarten van banketbakkerij Mazereeuw, legden hondendrollen in de flatportieken en staken daar dan rotjes in, werden achterna gezeten door de huismeesters, staken fikkie in het park, gooiden rotzooi vanaf de loopbrug op de IJssellaan en kregen op een kwade dag zelfs de Hermandad aan de deur. Toen was voor mijn ouders de maat vol en gingen ze op zoek naar een woning in een wat nettere buurt.
Die zoektocht duurde even, wat mijn broer en mij de kans gaf geregeld verwikkeld te raken in buurtvetes. Let wel, we waren 7 en 9 jaar oud. Ik kreeg altijd de klappen, met mijn grote bek, waarna mijn broer het zaakje even recht kwam zetten. Die had ‘quite a temper’, om het eens in mooi Nederlands te zeggen. Terwijl Bas alle buurtkinderen in elkaar mepte, lag ik vooral vaak met een blauw oog of een tand door de lip op bed. Ik moest dus wat assertiever worden, vonden mijn ouders, en dus mocht/moest ik op Judo. Als ex-Presikhaafbewoner weet jij vast wel waar ik die edele vecht- en/of verdedigingssport ging beoefenen. Bij sportschool Kreytz. In die tijd was naamgever Harry Kreytz mijn leraar en die zou van mij wel eens even een geharde, getrainde vecht- en/of verdedigingsmachine maken, die voortaan zijn eigen boontjes zou kunnen doppen. Jammer was alleen dat al die gastjes die mij altijd in elkaar rosten, samen met mij op les zaten.
Ik zal het je maar meteen eerlijk zeggen; Judo was niet echt mijn ding. Voor aanvang van elke les mochten ik en mijn ‘judovriendjes’ altijd vijf minuutjes lekker ravotten op de tatami. Dat mondde al snel uit in het in elkaar slaan van Markje. Die sukkel, die na een jaar nog steeds zijn gele slippen niet bemachtigd had. Dan moest dus mijn grote broer weer komen opdagen die in dezelfde tijd al tot de bruine band gevorderd was. En dan werden er weer wat buurtgenootjes in elkaar getimmerd. Overigens zonder gebruikmaking van houdgrepen, o-soto-gari’s, hiza-guruma’s of uki-goshi’s. Bas kon erg goed Judoën, maar als het er op aankwam dan werd gewoon weer de vuist tegen de neus gezet, zo deed je dat in Presikhaaf in de beginjaren 70 van de vorige eeuw.
Lang verhaal kort: mijn ouders vonden een woning in de nette wijk Holthuizen in Arnhem-Zuid. Niet in Vredenburg natuurlijk, want daar woonde in die tijd ook al geïmporteerd gajes. Nee, laat ik een term van mijn vader gebruiken: klootjesvolk. Haha, gave man was dat toch. In ieder geval veranderde mijn leven totaal. In Holthuizen ging het er niet meer om wat ik mijn lichaam kon (weinig), maar hoe ik als mensje was. En ik was een leuk mensje. Ik had nette vriendjes, kreeg schattige vriendinnetjes en ging hockeyen en tennissen. Echte Holthuizen sporten natuurlijk. Meester Kreytz werd vriendelijk bedankt voor zijn moeite en Bas en ik werden voorbeeldige jongetjes, precies zoals mijn ouders altijd hadden gewenst.
Maar helaas, je lot kun je niet ontlopen. Hoe keurig we ook werden, als er rottigheid was, waren Bas en ik er altijd bij. Op De Krakeling, jou wel bekend, had ik het al snel aan de stok met een nogal getormenteerde Oegandees. Dat was wat in die dagen: Oegandezen die bij ons op school zaten, gevlucht voor die malloot van een Idi Amin. In Arnhem-Zuid kregen ze de kans om de verschrikkingen van het dictatoriale regime te verwerken. En daarvoor hadden ze al snel een uitlaatklep gevonden: Markje, dat nette jongetje uit Holthuizen. Mijn brilletje werd vertrapt, ik moest klasgenootjes onder bedreiging gaan bestelen en mijn fietsje vond ik na een schooldag vaak zonder wieltjes terug in het rek. Gelukkig had ik een in Judo gespecialiseerde broer, twee klassen hoger. En die zat ook nog boordevol onverwerkt Presikhaaf verleden. En dus werd er ook in Zuid weer gemept, geslagen en geschopt. En kwamen wij vaak als overwinnaar van de mat.
Ik schrijf ‘wij’, maar de eer gaat naar mijn grote broer Bas. Hij heeft me al die jaren beschermd met zijn eigen leven. Als je aan Mark kwam, dan kwam je aan Bas. En als je aan Bas kwam, dan kon je je eigen tanden gaan zoeken op het schoolplein. Hoe het afliep? Bas werd bankdirecteur, Mark copywriter. Keurige beroepen, keurige meneren. En nog steeds waakt grote broer over dat kleine sukkeltje. Nog geen maand geleden waren we met een club vrienden in de stad, lekker eten, lekker drinken, een geweldige avond. Maar bij het naar buiten stappen kreeg ik weer ruzie. Deze keer met mezelf en de vrieskou. Ik kreeg een klap van de man met de hamer en ik kon geen boeh of bah meer zeggen. ‘Laat mij hier maar sterven’, dacht ik op dat moment. Maar Bas dacht daar anders over. Hij plantte me op mijn fietsje, greep me bij mijn arm en sleurde me van de Jansplaats, door de stad, over de John Frostbrug, door het Immerloopark naar huis. En even waren we weer die twee mannetjes op de luifels in Winkelcentrum Presikhaaf. Bijna veertig jaar geleden, maar niets veranderd.


Mooi verhaal, Mark. Ik moest even een traantje wegpinken